Alejandra & Jurgen
Wij zijn Jurgen en Alejandra. We begonnen Vemorina na een gesprek dat ons niet meer losliet.
Lees ons verhaal→breastfeeding
Je zit met de kolf op de bank en na twintig minuten staat er nauwelijks iets in het flesje. Je voelt aan je borst en die is zacht, bijna slap. Je lekt de laatste tijd amper nog en die toeschietreflex, dat tintelende gevoel dat je melk laat toeschieten, dat voel je eigenlijk nooit. En je baby? Die lijkt de hele avond aan je te willen hangen, alsof hij uitgehongerd is. Dan komt de gedachte die bijna elke voedende moeder wel eens heeft: denk ik nu juist aan te weinig productie?
Bijna iedereen twijfelt hieraan. En bijna niemand heeft echt te weinig melk. Dat klinkt geruststellend en dat is het ook, maar de reden waarom is belangrijker: je leest je melkproductie af aan de verkeerde signalen. Een zachte borst, weinig lekken, weinig kunnen kolven en een baby die vaak wil, dat zijn precies de vier dingen die je op het verkeerde been zetten. Ze voelen als bewijs van een tekort en ze zeggen er niks over.
Kort antwoord: je borst liegt, je luier vertelt de waarheid. De enige betrouwbare maat is of je baby groeit en genoeg plast en poept, niet hoe vol je borst voelt of hoeveel er in de kolf komt. En er is een verschil dat de meeste onnodige paniek wegneemt: een trage toeschietreflex (je melk komt langzaam op gang) is iets heel anders dan te weinig melk (er is te weinig). Hieronder lees je de vier valse alarmsignalen, de echte maat die je wél kunt vertrouwen, het verschil tussen traag en te weinig, of thee en fenegriek werken en de heldere lijn voor wanneer het wél tijd is om een lactatiekundige of arts te bellen.

Deze vier komen op elk forum terug en ze kloppen alle vier niet. Het zijn de klassieke feiten en fabels van de kraamtijd.
Fabel: een zachte borst betekent dat mijn melk opraakt. In de eerste weken zijn je borsten vaak vol en gespannen omdat je lichaam nog niet weet hoeveel het moet maken. Ergens tussen week zes en twaalf regelt je aanmaak zich in op wat je baby vraagt en dan worden je borsten zachter, ook vlak voor een voeding. Dat is geen teken dat het minder wordt, dat is je lichaam dat efficiënt is geworden. Een zachte borst maakt zelfs prima melk aan. Zoals moeders elkaar op de fora geruststellen: zolang je gevoel goed is dat hij genoeg drinkt en je borst voelt daarna slap aan, dan is er niks aan de hand.
Fabel: ik lek niet meer, dus ik maak te weinig. Lekken hangt samen met hoe je toeschietreflex reageert en met hoe ingeregeld je aanmaak is, niet met de hoeveelheid. Veel moeders lekken in het begin veel en na een paar maanden bijna niet meer, terwijl ze evenveel of meer melk maken. Minder lekken is meestal juist een teken dat je lichaam zijn ritme heeft gevonden.
Fabel: ik kan bijna niks kolven, dus er zit bijna niks. Dit is misschien de hardnekkigste. Een kolf is geen meetinstrument, het is een apparaat dat bij de een goed werkt en bij de ander nauwelijks. Een baby die goed is aangelegd, haalt de melk veel efficiënter uit je borst dan welke kolf ook. Hoeveel je kolft, hangt af van je pomp, van het schild, van hoe ontspannen je bent en van of je lichaam wel op dat plastic reageert. Talloze moeders die nauwelijks iets konden kolven, hebben daarna prima maanden of jaren gevoed. De kolf laat zien wat de kolf eruit krijgt, niet wat je maakt.
Fabel: mijn baby wil constant, dus hij krijgt te weinig. Een baby die 's avonds om het uur aan de borst hangt en niet tevreden lijkt, ziet eruit als een baby die honger heeft. Meestal is het clustervoeden: normaal babygedrag, vaak in de avond of tijdens een groeispurt, waarbij hij kort en vaak drinkt om je aanmaak juist aan te jagen. Vaak willen betekent niet te weinig krijgen. Een baby die vaak voedt én goed groeit én genoeg natte luiers heeft, heeft geen productieprobleem.

Als het borstgevoel liegt, wat vertelt dan wel de waarheid? Wat er aan de andere kant uitkomt. Je baby verwerkt de melk en dat is zichtbaar, controleerbaar en eerlijk. Op de fora drijft dit antwoord telkens boven: goede plasluiers en ontlasting, dan is er niks aan de hand.
Waar je op let, is dit:
Als deze vier kloppen, dan krijgt je baby genoeg, wat je borst ook fluistert en wat de kolf ook doet. Wil je dieper ingaan op de tekenen van een tevreden, goed drinkende baby, lees dan de tekenen dat je baby genoeg drinkt.

Hier lopen twee heel verschillende dingen door elkaar en dat onderscheid neemt bij veel moeders de grootste onrust weg.
De toeschietreflex is de reflex die je melk laat toeschieten. Als je baby drinkt of gaat kolven, komt het hormoon oxytocine vrij en dat knijpt kleine spiertjes rond je melkklieren samen, zodat de melk naar voren stroomt. Bij de een voelt dat als tintelen of steken, bij de ander als niks. En dat laatste is heel gewoon: heel veel moeders voelen hun toeschietreflex nooit en voeden jarenlang probleemloos. De reflex niet voelen betekent niet dat hij niet werkt.
Een trage toeschietreflex is iets anders: je melk komt wel, maar langzaam op gang. Bij het voeden merk je het amper, maar bij het kolven wordt het zichtbaar, want dan duurt het eeuwen voor er iets komt. Een trage toeschiet gaat over timing en niet over hoeveelheid. Hij wordt afgeremd door stress, spanning, pijn, kou of haast, precies de dingen die oxytocine tegenwerken. Wat helpt: rust nemen, warmte (een warme doek of een warme douche vlak voor het voeden), even niet naar het flesje staren, aan je baby denken of naar een foto kijken en zachtjes masseren. Zodra je ontspant, komt de melk sneller.
Te weinig melk is weer wat anders: dan is er, ook als de reflex prima op gang komt, gewoon te weinig product. Dat is de zeldzame situatie. Of het speelt, lees je niet af aan je borst of je kolf, maar aan de groei en de luiers hierboven.
Het onderscheid maakt uit voor wat je doet. Bij een trage toeschiet werk je aan ontspanning en timing. Bij een echt vermoeden van te weinig ga je naar de signalen en de hulp verderop in deze gids. En bij een té heftige, spuitende toeschiet met een baby die zich verslikt, speelt vaak juist het tegenovergestelde: overproductie. Wat je daaraan doet, staat in wat helpt bij een overactieve toeschietreflex en te veel melk.

Zodra de twijfel toeslaat, grijpen veel moeders naar van alles tegelijk: borstvoedingsthee, fenegriek-capsules, lactatiekoekjes, haver, extra water en voor de zekerheid ook maar wat vaker kolven. Begrijpelijk, maar meestal is het schieten op een probleem dat er niet is.
Twee dingen zijn hier eerlijk om te weten. Ten eerste: voor de meeste van deze middelen, de zogenoemde galactagogen, is het bewijs zwak. De internationale lactatie-artsen (Academy of Breastfeeding Medicine) benadrukken dat er weinig hard bewijs is dat kruiden of koekjes de aanmaak echt verhogen en dat je altijd eerst naar de oorzaak kijkt in plaats van naar een pil of thee. Ten tweede: als er al iets je aanmaak stuurt, dan is het niet de thee maar de vraag. Melkproductie werkt op vraag en aanbod: hoe vaker en vollediger je borst leeg drinkt of leeg kolft, hoe meer je maakt. Een borst die vaak geleegd wordt, krijgt de bestelling voor meer.
Dat betekent ook: extra kolven kán zin hebben, maar alleen als er echt te weinig is en je het gericht doet om meer melkverwijdering te krijgen, het liefst met begeleiding van een lactatiekundige. Zomaar remedies stapelen zonder dat er een tekort is, doet niets, kost geld en voedt de onrust. En stiekem bijvoeden met een flesje omdat je twijfelt, kan het juist andersom laten werken: je baby drinkt dan minder aan de borst, je borst krijgt minder vraag en maakt minder aan. Voor je dat pad opgaat, is de vraag altijd eerst: is er volgens de groei en de luiers wel een probleem?
Geruststellen mag de kleine groep die het wél treft niet wegpoetsen. Echte onderproductie is zeldzaam, maar ze bestaat en dan is snelle hulp belangrijk. Dit zijn de signalen die wél op te weinig inname wijzen en die je bij je baby ziet en niet aan je borst:
Even belangrijk: er zijn oorzaken die de aanmaak echt kunnen drukken en die haal je er niet met thee uit. Denk aan een baby die niet goed aanhapt of te weinig aan de borst komt (verreweg de meest voorkomende reden en vaak op te lossen), aan te strak vasthouden aan schema's in plaats van op vraag voeden, aan een achtergebleven stukje placenta na de bevalling, aan schildklier- of hormonale kwesties zoals PCOS, aan te weinig klierweefsel, aan eerdere borstoperaties, of aan bepaalde anticonceptie met oestrogeen. Herken je zoiets, dan is dat juist reden om er met een deskundige naar te kijken in plaats van het zelf op te lossen.
Twijfel over je melkproductie is bijna nooit een reden voor paniek, maar er is een heldere lijn voor wanneer je hulp inschakelt in plaats van af te wachten.
Bel een lactatiekundige of het consultatiebureau of Kind en Gezin als:
Bel meteen je huisarts (in Nederland buiten kantooruren de huisartsenpost, in België je huisarts of vroedvrouw) bij tekenen van uitdroging zoals een droge mond, weinig of geen tranen, een ingezonken fontanel of een baby die opvallend slap en niet meer goed wakker te krijgen is. Dat is geen borstvoedingsvraag meer, dan gaat het om je baby zelf.
In Nederland is de lactatiekundige vaak een IBCLC-lactatiekundige, soms via de kraamzorg, het consultatiebureau of vrijgevestigd. In België kun je terecht bij Kind en Gezin, je vroedvrouw of een lactatiekundige. Een weging op het consultatiebureau of bij Kind en Gezin is de snelste manier om van dat knagende gevoel af te komen: het getal op de groeicurve is eerlijker dan wat dan ook.

Voor de dagen dat je baby om het uur wil en je gevoel op en neer gaat, verandert een goede bh niets aan je melkproductie. Wat hij wel doet, is het vele voeden minder omslachtig maken. Als je een groot deel van je avond aan het aan- en uitkleden bent, scheelt een clip die met één hand opent en een band die meegeeft terwijl je maat nog schommelt, echt in comfort.
Onze voedingsbh is beugelloos en gebreid van een zachte, meegevende stof die je borsten steunt zonder ergens hard tegenaan te drukken, met een clip die met één hand opent. Hij is gemaakt van een OEKO-TEX Class I gecertificeerde stof (certificaatnummer 11-36224), de strengste categorie voor textiel dat tegen de huid van een baby komt. Wil je eerst alles over melkproductie en borstproblemen bij elkaar, ga dan naar het overzicht van melkproductie en borstproblemen. En de bh zelf bekijk je hier: bekijk de voedingsbh.
Nee. In de eerste weken zijn je borsten vaak vol omdat je aanmaak nog niet is ingeregeld. Ergens tussen week zes en twaalf past je lichaam de productie aan op de vraag en worden je borsten zachter, ook vlak voor een voeding. Dat is geen teken van minder melk, maar van een lichaam dat efficiënt is geworden. Een zachte borst maakt evengoed melk aan.
Heel waarschijnlijk niet. Veel moeders voelen hun toeschietreflex nooit en voeden maandenlang of jarenlang zonder enig probleem. Het gevoel van tintelen of steken zegt niets over hoeveel melk er komt. De echte maat blijft of je baby groeit en genoeg natte luiers heeft, niet of je de reflex voelt aankomen.
Meestal niet. Een kolf is geen meetinstrument: een goed aangelegde baby haalt de melk veel efficiënter uit je borst dan een pomp. Hoeveel je kolft, hangt af van je apparaat, het schild, je ontspanning en hoe je lichaam op de kolf reageert. Kijk niet naar het flesje, maar naar de groei en de luiers van je baby. Dat is de betrouwbare maat.
Voor de meeste van deze middelen is het bewijs zwak. Wat je aanmaak wél stuurt, is de vraag: hoe vaker en vollediger je borst leeg drinkt of kolft, hoe meer je maakt. Kijk daarom eerst of er volgens de groei en de luiers überhaupt een tekort is en schakel bij echte zorgen een lactatiekundige in in plaats van remedies te stapelen.
Vanaf ongeveer dag vijf à zes verwacht je zo'n vijf tot zes goed natte luiers per etmaal, met lichte, bijna kleurloze plas, plus regelmatig ontlasting in de eerste weken. Duidelijk minder natte luiers of donkere, geconcentreerde plas die aanhoudt, is een reden om beter te kijken en contact op te nemen met het consultatiebureau, Kind en Gezin of een lactatiekundige.